U bent hier

Home » Organisatie » Pedagogisch concept

Contextbegeleiding

1. Kernbegrippen in het contextueel werken

1.1. Roulerende rekeningen en destructief recht
Soms blijven kinderen, ook wanneer zij al lang volwassen zijn, op zo’n manier loyaal aan hun ouders dat dit loyaliteiten met nieuwe mensen in de weg staat. Op die manier kunnen ongezonde loyaliteiten generaties lang een schadelijke invloed blijven uitoefenen. Nagy spreekt dan over roulerende rekeningen: de verstoorde balans tussen geven en nemen komt steeds terug omdat een ‘oude schuld’ niet wordt ingelost en omdat men loyaal blijft aan de eigen oorsprong. Als een kind niet krijgt waar het recht op heeft, zijnde aandacht, zorg en liefde, blijft het kind zitten met een overschot aan ‘rechten’ waaraan niet voldaan is. Het kind kan dan proberen zijn ‘recht’ te halen door bijvoorbeeld destructief gedrag te vertonen. Nagy noemt dit destructief recht. Het kind kan geen rekening houden met rechten van anderen, omdat het zelf onrecht is aangedaan. Het neemt zijn deel, maar doet dat helaas vaak bij de verkeerde persoon. Op deze manier kan een kind dat onrecht is aangedaan opnieuw onrecht creëren. Een kind heeft niet alleen het recht om te ontvangen, maar heeft ook recht om te geven. Volwassenen die hun ouders te weinig hebben gegeven, zullen dat op een andere manier proberen te vereffenen, bijvoorbeeld door hun eigen kinderen overdreven te verzorgen.

1.2. Meerzijdige partijdigheid
Als begeleider kies je geen partij in een conflict van een jongere met diens ouders, maar je stelt je ook niet neutraal op. Je respecteert beide partijen, je kiest voor de één en niet tegen de ander. Je kent aan beide partijen ruimte en respect toe.

Het is belangrijk om ook de kant van de ouders te kunnen zien en te beseffen dat alle ouders een verlangen tot goed ouderschap in zich dragen. Elke ouder is in zijn ouderschap bezig zich te verhouden op zijn eigen ouders en zijn eigen opvoeding: men wil doorgeven aan zijn kinderen wat goed is geweest in de eigen opvoeding en men wil zeker geven aan de eigen kinderen wat men in de relatie met de eigen ouders gemist heeft. Bij ouders die veel zijn tekort gekomen als kind is er tegelijk enerzijds een groot verlangen en motivatie om iets goed te maken van wat tussen hen en hun ouders is misgegaan en anderzijds weinig persoonlijke en maatschappelijke mogelijkheden, geleerde vaardigheden en hulpbronnen om dat ook waar te maken. Hulpverlening in problematische opvoedingssituaties heeft dan ook maar enige kans van slagen als ze weet aan te sluiten bij dit streven van ouders om destructieve cirkels te doorbreken en om van daaruit ondersteuning en mogelijkheden mee te zoeken.

1.3. Erkenning geven
De contextbegeleider erkent het leed, het onrecht dat elke betrokken partij in de situatie te beurt valt. Ook dient te begeleider de verdiensten en de inzet van alle betrokkenen te erkennen. Deze erkenning houdt geen goedkeuring of bevestiging in enge zin in, maar wel het laten merken ‘ik heb gezien wat dit voor jou betekent, wat jij doormaakt of probeert te doen’.

1.4. Oriëntatie op hulpbronnen
Als contextbegeleider zoek je steeds naar hulpbronnen van waaruit een groter vertrouwen in de relatie te verkrijgen is. Het is belangrijk de bronnen op te sporen van waaruit nieuw vertrouwen te winnen is. Onder deze hulpbronnen verstaan we ook personen die in de begeleiding tijdelijk kunnen worden ingezet. Zo kan een begeleider of leerkracht een tijdelijke hulpbron zijn. Het is ook belangrijk als begeleider om het kind te helpen binnen de eigen context hulpbronnen op te sporen en te benutten.

1.5 Belang van de actie
Intenties, bedoelingen en gevoelens zijn belangrijk, maar het is alleen de daad, de gepaste zorg voor de ander, die de balans tussen geven en nemen terug in beweging zet. Alleen wat de betrokkenen zelf daadwerkelijk tegenover elkaar ondernemen is verworven verandering voor hun situatie.

1.6. De factor tijd en het moratorium
Een juiste ‘timing’ van de interventies is van groot belang. Het is nodig goed af te wegen welke acties al haalbaar en gepast zijn voor alle betrokken partijen en welke acties nog bezinningstijd, ‘rijping’ vragen. Hier spreekt men van het inbouwen van een moratorium, een wachttijd voor verder handelen.

1.7. Loyaliteit
Loyaliteit betekent trouw en betrouwbaar zijn, voor elkaar opkomen, er voor elkaar toe doen, op basis van wederzijds verplichtingen en verdiensten. Primaire loyaliteit ontstaat door geboorte en kan niet opgeheven, overgedragen of verbroken worden. Primaire loyaliteit kan wel ontkend worden. Naast de primaire loyaliteit bestaat ook verworven loyaliteit, deze vorm is gebaseerd op verdiensten.

Het belang van existentiële loyaliteit is de balans tussen geven en nemen tussen ouders en kinderen. Binnen onze cultuur is deze balans erop gericht ouders voor te schrijven wat ze moeten geven aan een kind. Het kind heeft echter ook het recht om te geven. Als ouder kan je je kind helpen te geven door ervoor te zorgen dat je je fundamentele behoeften aan erkenning, affectie, zelfrealisatie, … vervult in relatie tot andere volwassenen. Ook op Zonnewende blijft het kind bezig met dat geven aan de ouders. Dat uit zich niet alleen in zijn emotionele betrokkenheid op zijn thuissituatie, maar ook door zijn omgangs – en gedragsgewoontes en zijn trouw aan de regels en de cultuur van het gezin.

Horizontale loyaliteit berust op het geven en ontvangen tussen mensen in gekozen relaties. Broers en zussen delen een gezamenlijke verticale loyaliteitsband met de ouders. Als begeleider is het belangrijk je er steeds van bewust te zijn dat de band met het kind/de jongeren die op Zonnewende verblijft steeds horizontaal is. Ook al kan je misschien beter opvoeden dan de ouder, je zal nooit een betere ouder zijn voor het kind. Verticale loyaliteit komt van twee kanten en deze verbondenheid leidt ertoe dat kinderen voor hun ouders en ouders voor hun kinderen opkomen en dat ze de neiging hebben voor elkaar te zorgen. Een ernstig probleem of een ernstige gebeurtenis kan voorkomen dat ze dat doen.

Verticale loyaliteit wordt gespleten als een kind moet kiezen voor één van beide ouders of als een ouder moet kiezen voor één van de kinderen, niet als incident maar als vaststaand patroon. Een kind zal altijd proberen een gespleten loyaliteit teniet te doen want het kan niet kiezen tussen de beide ouders die door wederzijds wantrouwen uit elkaar zijn gegroeid. Dit onoplosbaar dilemma is ziekmakend voor een kind. Iemand buiten de ouders, bv hulpverlener, kan ook een hulpbron zijn voor het kind, op voorwaarde dat het kind zijn loyaliteit naar en zijn zorg voor die ouders gerespecteerd voelt. Mogelijk kan deze begeleider ook een hulpbron zijn voor de ouders en op die manier ook voor het kind, als de begeleider op een niet veroordelende manier de ouder kan helpen om te kijken wat de situatie voor het kind betekent en hoe het kind probeert te helpen.

Het kind ontwikkelt nog andere relaties dan die met de ouders. Waar het kind in die relatie met anderen wordt uitgenodigd of uitgedaagd om deloyaal te zijn aan de ouders, komt het in een innerlijk conflict. Dit gebeurt dikwijls in relaties die zeer belangrijk zijn voor het kind waardoor het kind zich gaat afsluiten van deze belangrijke relatie.

 

2. Principes van contextbegeleiding op Zonnewende

2.1. Systeemgericht
De kerngedachte van de systeembenadering is de veronderstelling dat ieder individu een onderdeel is van een groep individuen, van een systeem. Binnen zo’n systeem is elk individu in interactie met elk ander individu in dat systeem. Iedereen in een systeem heeft met alle anderen een relatie. Tegelijkertijd vormen zij een samenhangend, organisch geheel. Via de systeembenadering probeert men een holistisch overzicht te behouden en op die manier verder te kijken dan simpele oorzaak-gevolg relaties. Als alternatief voor het oorzaak – gevolg denken gaat de systeembenadering uit van een circulaire causaliteit. Hiermee bedoelt men dat het in intermenselijke relaties nooit duidelijk te zeggen is wat oorzaak en wat gevolg is. Er is altijd sprake van wederzijds beïnvloedend gedrag tussen individuen. Als deze gedragingen zich blijvend herhalen, kan dat tot een gedragspatroon leiden.

Het is in deze benadering belangrijk rekening te houden met de ‘subsystemen’ in het geheel en ook de onderlinge wisselwerking tussen deze subsystemen onder de aandacht te brengen. Wanneer het gaat over de gezinnen waarmee onze jongeren verbonden zijn wordt dit opgevat als een sociaal systeem dat opgebouwd is uit een structuur, interacties en relaties.

Concreet ziet we dat mensen erg contextgevoelig zijn. Ondanks we denken dat iemand een vaststaand karakter heeft, zien we dat mensen zich in andere contexten zich verschillend gedragen. Voor de werking op Zonnewende betekent dit dat we de kinderen die probleemgedrag stellen ook binnen hun sociale context moeten beschouwen. Specifieke, individuele problematieken krijgen hun betekenis pas in de relaties die het kind onderhoudt. De jongere gedraagt zich waarschijnlijk ook anders in de veilige context van de leefgroep dan dat het zich thuis gedraagt. Dit zijn belangrijke elementen om mee te nemen tijdens het proces van contextbegeleiding.

2.2. Laagdrempelig
Binnen de contextbegeleiding op Zonnewende proberen we de gezinnen en de jongeren te begeleiden zodat een terugkeer naar huis mogelijk kan gemaakt worden. Indien dit niet mogelijk is, proberen we toch een zo goed mogelijke verstandhouding tussen alle partijen te bewerkstelligen. Dit alles pogen we te bereiken door zo laagdrempelig mogelijk te werken. We proberen de goede afstand te bewaren tussen afstand en nabijheid, om op die manier op maat van elke jongere en elk gezin tot een overeenstemming te komen. ‘Doe e ki geweune’ is hierbij onze belangrijkste leidraad. Zonder grote woorden te gebruiken, maar in onze eigen reacties en manier van ‘voorleven’ proberen we een connectie te maken met het gezin. De deur van de leefgroep staat ten allen tijde open, ouders mogen aanwezig zijn. Op die manier wordt de zorg voor de jongere gedeeld vanuit de vraag: wat kan jij, als ouder, nog doen? Wat niet meer lukt, daar zorgen wij voor.

2.3. Betrouwbaar
Gezien de doelgroep van kwetsbare gezinnen waarmee wij werken, is het erg belangrijk om betrouwbaar te zijn. De slagzin hierbij is: ‘doe wat je zegt en zeg wat je doet’. Dit zorgt voor duidelijkheid bij de ouders en het kind, maar ook in het eigen team. Zo kan er een basis gelegd worden voor vertrouwen. Gezien de talrijke begeleiding die veel van onze gezinnen al doorlopen hebben is deze ontwikkeling van een basis van vertrouwen belangrijk om op een goede manier contextbegeleiding te kunnen aanbieden.

2.4. Krachtgericht
We werken vanuit de krachten die aanwezig zijn binnen het gezinssysteem en proberen hierbij ook het eigen netwerk te activeren en eventueel uit te breiden, zonder daarbij voorbij te gaan aan de invloed dat dit netwerk heeft op de bestaande moeilijkheden. Om deze eigen kracht van de ouders en de jongere te kunnen activeren moeten zij als volwaardige samenwerkingspartner gezien worden. Dit partnerschap impliceert dat het handelen van de begeleiders gericht is op het ondersteunen van de ouders bij het vormgeven van hun ouderlijke verantwoordelijkheid. Volgens het principe van systeemdenken, houdt dit in dat er aansluiting gezocht wordt bij de voorkeuren en sterkten van de gezinsleden en het gezin als geheel. Hierbij is het belangrijk ook rekening te houden met de impact van de adviezen die je geeft op het hele gezinssysteem. Daaruit kan dan een gezinsplan/handelingsplan ontstaan, met doelen en ideeën van het gezin zelf. De vaardigheid als hulpverlener om je te verdiepen in de perceptie van de gezinsleden is heel belangrijk bij het creëren van een context voor een hulpvraag. Ouders blijven een centrale en beslissende rol spelen in de besluitvorming over de te verlenen zorg en in te schakelen steun, professioneel of uit het netwerk. Als ouders, hoewel er sprake is van ernstige moeilijkheden, zich gezien, gehoord en erkend voelen als opvoeders die eindverantwoordelijk zijn, dan draagt dat bij aan het welzijn van het kind en het functioneren van het gezin. Het uiteindelijke handelingsplan stuurt dan de contextbegeleiding vanuit Zonnewende, waarbij het onontbeerlijk is om ook samen te werken met andere professionele hulpverleners die bij het gezin betrokken zijn. Ook zij behoren tot het (al dan niet tijdelijke) netwerk van het gezin.

Binnen dit kader is het als hulpverlener belangrijk alert zijn voor het verschil tussen een probleem en een beperking. Een probleem is oplosbaar, met een beperking moet men rekening houden. Het is belangrijk hier zelf bewust van te zijn, maar ook om de ouders en de jongere hierin bewust te maken.

 

3. De contouren van contextbegeleiding op Zonnewende

3.1. Visie
Via een zorgvuldige en brede bevraging binnen de verschillende huizen op Zonnewende willen we hier tot een kader komen van wat contextbegeleiding inhoudt op Zonnewende. Dit kader schetst de minimumverwachting van wat contextbegeleiding is evenals ook een verduidelijking van wat niet tot contextbegeleiding behoort binnen onze organisatie. De ruimte hiertussen biedt de mogelijkheid aan elke begeleider om op zijn eigen manier, telkens in overleg met het team, contextbegeleiding aan te pakken, passend bij de jongere en zijn ruime omgeving.

Binnen Zonnewende kiezen we er bewust voor dat de contextbegeleiding door een vertrouwde begeleider uit de leefgroep opgenomen wordt. Omdat de begeleider deels samen leeft met de jongere op Zonnewende, bouwt hij een specifieke relatie op met de jongere. Op deze manier deelt deze integrale begeleider ook gelijkaardige ervaringen met de ouder waardoor hij in de ogen van de ouder geloofwaardiger wordt. De integratie van het verblijf van de jongere en de begeleiding van de context binnen hetzelfde team zorgt ervoor dat de leefgroep ook heel toegankelijk is voor ouders. Deze toegankelijkheid zorgt voor spontane ervaringen van modelling die een grote meerwaarde betekenen binnen het proces van contextbegeleiding. Wanneer de contextbegeleiding en individuele begeleiding van een jongere door twee begeleiders wordt opgenomen, behoudt de individuele begeleider de regie van het proces.

Het verblijf op Zonnewende wordt gezien als een tussenstap om een thuiscontext te creëren waar de jongere op termijn naar kan terug keren. De contextbegeleiding die wij aanbieden bestaat dan ook sterk uit ouders ondersteunen in de opvoeding. Zo proberen we het mogelijk te maken dat ouders meer zorgfuncties opnemen wanneer blijkt dat dit mogelijk is. Het uiteindelijk doel van zowel het verblijf op Zonnewende als de contextbegeleiding is om een terugkeer naar huis te bewerkstelligen. Wanneer dit niet mogelijk blijkt, installeren we gedeelde zorg of zoeken we naar samenwerking met andere diensten, bijvoorbeeld pleegzorg.

3.2. Wat behoort tot contextbegeleiding
Binnen Zonnewende vinden we het belangrijk dat vanaf de intake de context van de jongere betrokken wordt. Dit gebeurt zowel door de context te bevragen tijdens de intake, op die manier wordt nagegaan welk engagement zij nog op zich kunnen en willen nemen, alsook door aan de jongere te bevragen wie zij wensen betrokken te zien bij hun begeleiding tijdens hun verblijf op Zonnewende.

De contextbegeleiding die onze begeleiders aanbieden vertrekt steeds vanuit de jongere. Het is belangrijk dat je als begeleider het mandaat krijgt van de jongere om aan contextbegeleiding te doen. Vanuit deze insteek kan contextbegeleiding heel ruim opgevat worden, waarbij ook praktische ondersteuning kan geboden worden. Dit kan relatie bevorderend werken. Hierbij is het belangrijk dat het evenwicht tussen geven en nemen sterk in de gaten wordt gehouden. Heel dikwijls is dit een individueel aanvoelen van de contextbegeleider, toch is het belangrijk dat dit ook door het team gedragen wordt.

Wanneer we spreken over contextbegeleiding dan gaat het over de begeleiding van mensen waarbij de jongere systematisch verblijft. Deze contextfiguren zijn ook betrokken bij de opmaak van het handelingsplan en de evolutieverslagen. Daarnaast zijn er ook netwerkfiguren verbonden met de jongeren. Deze mensen spelen ook een rol bij de begeleiding van de jongeren, denk hierbij een trainers van de sportclub, de school, het CLB, … De begeleiding met deze ondersteuners is van een andere aard dan de begeleiding die we bieden aan de contextfiguren. Een belangrijke kanttekening hierbij is dat deze context – en netwerkfiguren niet vast zijn en doorheen het verblijf van de jongere op Zonnewende kunnen wijzigen. Ook de leeftijd van de jongere is een belangrijke factor om rekening mee te houden wanneer men spreekt over betekenisvolle derden. Bij de jongere kinderen zal de nadruk meer liggen op de ouders, terwijl bij jongeren de nadruk soms eerder zal liggen op het uitbreiden van het netwerk van de jongere naar een netwerk dat goed genoeg is voor de jongere, zodat er een vangnet is wanneer het moeilijker gaat.

In de lijst hieronder worden de taken die breed gedragen worden door de begeleiders als zijnde contextbegeleiding opgesomd. Dit wordt gezien als het minimum dat nodig is om op een goede manier contextbegeleiding te kunnen aanbieden.

  • Het bepalen van wie contextfiguren zijn en wie netwerkfiguren zijn
  • Bij het opmaken van het handelingsplan informeren welk engagement de contextfiguren op zich willen nemen en met welke frequentie
  • Bij de context bevragen waar ze zelf ondersteuning wensen
  • Gesprekken voeren met ouders over opvoeding
  • Coachen van ouders
  • De context informeren in verband met specifieke aandachtspunten in de omgang met de jongere
  • Werken aan een veilige, opbouwende context en optreden bij een onveilige context
  • De context blijvend aanspreken, ook wanneer het moeilijk gaat
  • Communicatie onderhouden en bevorderen
  • Responsabilisering van de ouders
  • Plannen, voorbereiden, opmaken, opvolgen en verslag maken van het HP/EV

3.3. Wat behoort niet tot contextbegeleiding
Tot slot impliceert contextbegeleiding heel dikwijls dat er aan huis gegaan wordt bij gezinnen of belangrijke derden uit de context van de jongere. Dit biedt een belangrijke meerwaarde zowel voor de begeleiding als voor de context zelf. Voor de context, heel dikwijls ouders, voelt het veiliger aan om de begeleiding in hun eigen omgeving te kunnen ontvangen om het gesprek aan te gaan omtrent hun kinderen en zichzelf. Het vormt ook een manier voor de ouders om iets terug te kunnen doen naar de begeleiding. We moeten echter ook opmerken dat er specifieke moeilijkheden optreden bij het uitoefenen van contextbegeleiding aan huis. We denken hierbij bijvoorbeeld aan het feit dat aan huis gaan ook onveilige situaties kan creëren. Het is belangrijk dit gegeven ook ruimte te geven binnen de fora van overleg en duidelijk te stellen dat er altijd steun kan gevraagd worden, bijvoorbeeld met twee begeleiders op gesprek gaan, wanneer iemand zich niet veilig voelt.

Uit de bevraging die werd gehouden onder alle begeleiders en teams bleek dat contextbegeleiding overal heel ruim ingevuld wordt. Dikwijls werd volgende quote gebruikt: ‘Alles is contextbegeleiding, zolang het ten dienste staat van de jongere’. Toch werd tijdens de bevragingen duidelijk dat er problematieken zijn waar onze begeleiders onvoldoende bijstand kunnen geven in het kader van contextbegeleiding. In de lijst hieronder vind je dit terug:

  • Aanpakken van psychische problemen van ouders
  • Aanpakken van druggebruik van de ouders
  • Aanpakken van drankgebruik van de ouders
  • Aanpakken van depressie van de ouders
  • Behandelend werken in het kader van bijvoorbeeld rouwverwerking
  • Het therapeutisch werken rond de relatie van de ouders
  • Werken rond relaties in de ruimere familiecontext

Bij deze lijst hoort een belangrijke kanttekening. Onze begeleiders kunnen ouders niet begeleiden wanneer het over deze problematieken gaat, ten allen tijde echter blijven het wel de ouders van de jongeren die op Zonnewende verblijven. Dit houdt in dat de ouders wel begeleid worden in hun rol van ouder. Voor de behandeling van bovenstaande problematieken kunnen onze begeleiders steeds doorverwijzen naar gespecialiseerde centra.

 

4. Contextbegeleiding in het begeleidingstraject

4.1. Aanmelding
Van zodra er een aanmelding voor opname is, hebben we ook oog voor de context van de jongere. We vragen dan ook dat al tijdens het intakegesprek de context van de jongere aanwezig is (cf. kwaliteitshandboek PR-1.1A en PR-1.1B). Op die manier kunnen we garanderen dat we ook contextbegeleiding kunnen aanbieden aan de contextfiguren.

4.2. Contextgesprekken kort na opname
Tussen opname en opmaak handelingsplan zijn er drie gesprekken met de context. Deze gesprekken kunnen ambulant op Zonnewende plaatsvinden, of mobiel, in de context. Minstens één gesprek gaat door in de context van de jongere.  Deze drie gesprekken gebeuren binnen de eerste 45 dagen dat de jongere op Zonnewende verblijft.(cfr. kwaliteitshandboek PR-2.1A) Als ondersteuning bij deze eerste contextgesprekken werd een checklist contextbegeleiding ontwikkeld die een leidraad vormt naar zowel inhoud als vorm van het proces (cfr. FOR 1.1.29)

4.3. Contextgesprekken tijdens het verblijf op Zonnewende
In het eerste contextgesprek na het opstellen van het handelingsplan wordt geïnformeerd hoe de bespreking van het handelingsplan ervaren werd. Daarna wordt het handelingsplan gelezen en ondertekend door de context. Aan de hand van een tevredenheidsmeting wordt de bespreking geëvalueerd.  Na elke evolutiebespreking volgt ook ditzelfde stramien. (kwaliteitshandboek PR-2.1A)

Tijdens zijn verblijf op Zonnewende heeft elk kind recht op één uur face to face contextbegeleiding per week. Dit gesprek kan doorgaan op Zonnewende of in de context. Zoals uit de bevraging van de medewerkers bleek wordt hier flexibel mee om gegaan. Soms wordt meer kwaad dan goed gedaan door rigide vast te houden aan deze timing. Binnen de teams wordt zorgvuldig rekening gehouden met wat elke jongere en zijn context nodig hebben, de jongere en zijn context blijven hierin duidelijk eigenaar van het proces en de inhoud.

In bepaalde situaties kan de module contextbegeleiding ingezet worden zonder verblijf. Zo is het mogelijk dat de jongere op proef naar huis gaat. Wanneer er weinig risico is op terugval wordt de module verblijf uit gevinkt en kan er nog tijdelijk contextbegeleiding aangeboden worden. Wanneer er wel risico bestaat op terugval, blijft de module verblijf aangevinkt en wordt er tijdens de overgangsperiode contextbegeleiding aangeboden. Tot slot bestaat ook de mogelijkheid dat er contextbegeleiding wordt aangeboden die er voor zorgt dat er een zorgzame overdracht kan gebeuren naar een andere dienst. Deze kaders kunnen aangeboden worden voor een periode van maximum zes maanden. Contextbegeleiding die afwijkt van bovenstaande omstandigheden is steeds bespreekbaar indien dit kadert in een individueel traject of als er een uitdrukkelijke vraag komt van de verwijzer. Indien hiervan sprake is, gebeurt dit steeds in overleg met de orthopedagoge.

Tot slot wonen niet alle belangrijke anderen van de jongeren in de buurt van Veurne. Het is belangrijk om te vermelden dat het aanbieden van begeleiding aan de context die verder dan een half uur rijden van Zonnewende ligt, als moeilijk organiseerbaar ervaren wordt.

 

5. Opbouwen van deskundigheid
Wanneer het gaat over het opbouwen van deskundigheid omtrent contextbegeleiding verwijzen we graag naar ons VTO beleid en het overleg voor gezinsbegeleiders van JO-IN waar we aan participeren. Uit de rondvraag in de teams bleek echter ook dat overleg en reflectie heel belangrijk is voor de begeleiders. Dit zorgt er voor dat onze manier van jongeren en hun context begeleiden steeds beter wordt. Wanneer we spreken over overleg, dan gaat het over in dialoog gaan met je eigen team, maar ook met de andere teams op Zonnewende. Daarnaast is het ook belangrijk om in gesprek te gaan met de andere hulpverleners die betrokken zijn bij de jongere en hun context.

Intern is contextbegeleiding een thema dat zowel tijdens begeleiding – en evaluatiegesprekken als tijdens teamvergaderingen aan bod kan komen. Op die manier wordt stilgestaan bij de manier waarop we aan contextbegeleiding doen, wat daarin goed loopt en wat beter op een andere manier kan aangepakt worden. Tijdens de overlegmomenten op teamvergaderingen is het van belang aandachtig te zijn voor het standpunt van iedereen binnen de context van de jongere.

Een belangrijk thema dat vraagt om een diepgaande en open dialoog is het verblijf van broers en zussen in de verschillende huizen op Zonnewende. Zoals hierboven al werd beschreven, kiezen we er bewust voor te werken met integrale begeleiders. Het gevolg hiervan is dat er vanuit de verschillende huizen ook begeleiders naar hetzelfde gezin kunnen trekken wanneer er sprake is van brussen in verschillende huizen. Ook dit vraagt overleg en reflectie over de eigen werking en de samenwerking met de andere teams om de begeleiding op een goede en voor de context duidelijke manier te laten plaatsvinden.

Bronnen:

  • Casier. V. (2017). Integrale jeugdhulpverlening. VIVES Kortrijk.
  • Bolt. A., (2018). Het gezin centraal. Uitgeverij SWP Amsterdam.
  • Pont. S. (2018) www.systeemtheorie.nl, geraadpleegd op 17/12/2018